Praktijk
Als je kiest voor HBO theologie, kies je voor een beroepsopleiding. Dan kan het niet anders dan dat er in je GL opleiding veel tijd voor leren in de praktijk in het curriculum is opgenomen.
Als je GL student bent, heb je veel met de praktijk in te maken. Je geeft les en doet onderzoek op verschillende middelbare scholen.
Waarom zoveel praktijk in het werkveld?
- De praktijk is nodig als
oefenplaats. Je oefent je competenties, je leert nieuwe aan. Je probeert de theorie van de GL opleiding letterlijk te vertalen naar de praktijk. Dat gaat om didactiek, pedagogiek en uitaard ook om theologie. Je oefent ook voortdurend in het opbouwen van contact met individuele jongeren en met klassen en met collega’s.
- De praktijk is nodig om te
reflecteren. Je doet dingen goed, maar ook fout. Hoe komt dat? Wat zegt dat van de leerlingen? Wat zegt dat van jou als persoon? Hoe geschikt ben jij eigenlijk voor het onderwijs, waar zitten jouw uitdagingen, waar je valkuilen? Een praktijkbegeleider helpt je bij deze reflectie en dat gebeurt ook op de CHE in intervisie.
- De praktijk is je
inspiratiebron. De GL studie wordt pas echt leuk als je tegelijkertijd zelf godsdienst of levensbeschouwing geeft. Je ervaart wat het is om op een school te werken in het verlengde, of niet in het verlengde van je eigen geloofsovertuiging. De praktijk daagt je uit om ook over je eigen visies na te denken. Hoe wil jij eigenlijk over God spreken? Leerlingen dagen je voortdurend uit.
Verschillende praktijkmomenten
Je loopt stage op scholen – zeg maar: je geeft les - en voert er gerichte opdrachten uit. Die opdrachten kun je alle jaren krijgen en hebben met vakken of toetsen in de opleiding te maken. Je krijgt bijvoorbeeld de opdracht om een viering met leerlingen op een school te organiseren en te leiden.
Per jaar ziet de praktijk er anders uit. Er is een opklimming in diepgang en inspanning.
- Jaar 1. Je hebt verspreid over een aantal weken een oriëntatiestage. Jij gaat ontdekken of lesgeven aan pubers iets voor jou is. Je stagebegeleider ter plaatse en je stagedocent op de CHE bekijken en beoordelen of ze jou in principe geschikt vinden. Aan het einde van het jaar moet je gewoon een goede les kunnen geven.
- Jaar 2. Je hebt een lintstage. Iedere week oefen je in het werkveld. Je geeft gedurende een langere periode les aan zelfde klassen. Er komt al duidelijker dan in jaar 1 uit de verf of je didactisch, pedagogisch en vakinhoudelijk bekwaam bent. Aan het einde van het jaar moet duidelijk zijn of je een goede lessenserie kunt opzetten en geven.
- Jaar 3. Je hebt de grote lio-stage (leraar-in-opleiding). Nu moet je zelfstandig docent zijn vanuit je positie als stagiaire of juniorcollega. Klassen worden aan jou overgelaten en jij moet voldoende competent zijn om er alles te doen wat met lesgeven te maken heeft. Je loopt verschillende dagen per week rond op je stageschool. Uiteraard heb je nog steeds begeleiding, zowel door iemand van je stageschool als door iemand van de GL opleiding.
- Jaar 4. Sommige studenten hebben al een baantje gevonden als docent. Het gebeurt nog al eens dat ze kunnen blijven werken voor een paar uur op de school van hun lio-stage. Dat is een geweldig compliment. Het is ook makkelijk, want in jaar vier doe je een afstudeeronderzoek op een school. Dat kan dan mooi op je eigen school. Dat onderzoek kan van alles en nog wat zijn: de een doet een onderzoek naar het functioneren (en verbeteren) van een godsdienstmethode. De andere student doet een onderzoek naar het participeren van godsdienstdocenten in de leerlingbegeleiding. Uit het onderzoek moeten concrete beroepsproducten rollen, waarmee de school iets kan doen. Het afstudeeronderzoek mag je ook in het buitenland doen.

Dit is de praktijk in beeld!