Robert Doornenbal

Lid kenniskring Geestelijk Leiderschap

Meer weten??  

Bart Cusveller

Lector Verpleegkundige Beroepsethiek

Meer weten??  

Vera Prins

Student Communicatie

Meer weten??  

Geschiedenis Cinematografie I

Hier staat een kleine geschiedenis tot en met de eerste Wereldoorlog. Het tweede deel gaat tot de introductie van de geluidsfilm.

Kortom: de periode 1875 - 1914. En enkele ontwikkelingen daarvoor….
Hieronder dus deel I van College I in de serie over de geschiedenis van de film en cinematografie.

 Vooraf een leeswijzer aan de hand van enkele vragen:

  • - Noem twee grote stromingen in de geschiedbeschrijving van de film?
  • - Waarin verschillen deze twee (aanvullende) benaderingen: noem concreet een hedendaagse regisseur als voorbeeld en pas enkele zaken op hem of haar toe.
  • - Welke vier benaderingen zijn volgens enkele auteurs mogelijk als je kijkt naar de geschiedenis van de film?
  • - Welke problemen kent filmprojectie?
  • - Waarom is Edison belangrijk in de filmgeschiedenis?


 

Hoe beschrijf je de filmgeschiedenis?

 

Grofweg zijn er twee benaderingen van de geschiedenis: de lineaire & teleologische traditionele of klassieke benadering (tot ongeveer 1970, nog steeds een belangrijke benadering van filmgeschiedenis) en de revisionistische benadering.

Deze laatste benadering wil de klassieke wijze van geschiedschrijving herzien en aanvullen. Zo wil ze fouten corrigeren en de geschiedenis ontmythologiseren.

Kenmerkend is de focus op de micro-geschiedenis en gebruik van oude bronnen. Een grote naam in de klassieke benadering is bv die van D.W. Griffith en hij is vanuit de tweede benadering ge-contextualiseerd en ge-de-mythologiseerd. Een revisionistisch filmhistoricus richt zich vooral op de structuren en mechanismen die een regisseur beïnvloeden, zet Griffith in een bredere context van historische verschijnselen, laat in zijn geval zien dat deze grote regisseur constant geldproblemen had.

 

Tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw had de hogere cultuur (de cultuur van de elite) en de literaire/cultuur-kritiek nauwelijks aandacht voor het medium film. Film is in haar beginjaren voor de arbeider, voor vermaak en zeker geen kunstvorm waarover je kunt nadenken.


Een andere invalshoek

Er zijn volgens Allen & Gomery vier benaderingen mogelijk in de beschrijving van de filmgeschiedenis: de esthetische, technologische, economische en sociale filmgeschiedschrijving. Elk gebied heeft zijn eigen vragen. Film of cinema is voor hen meer dan een verzameling afzonderlijke films: het is een ingewikkeld netwerk van interactieve systemen van menselijke communicatie, handelspraktijken, sociale interactie, artistieke mogelijkheden en technologie.

"Daarom moet elke definitie van de filmgeschiedenis erkennen dat de ontwikkeling van de cinema veranderingen met zich meebrengt in film als een specifieke technologie, film als een industrie, film als een systeem van visuele en auditieve representatie en film als een sociale institutie.” (1985, geciteerd in Filmkunde, pag. 31)

We gebruiken deze vier veranderingen om op redelijk traditionele wijze het verhaal van de filmgeschiedenis grotendeels liniair te vertellen.

“Early film is a result of inventors, not artists.”

 

1) Film als uitkomst van een aantal technologieën

Al in de 16e eeuw gebruikten de welgestelden een toverlantaarn om ingekleurde afbeeldingen te zien. Zelfs waren bewegingen mogelijk met een apparaat als een Zoetrope (1834): deze draaiende schijf creëert de illusie van een beweging.


En al in 1816 werden zaken die te zien zijn op een fotografische plaat vastgelegd, pas helder na een ontwikkeltijd van 15 minuten in 1839 (Daguerre). Overigens werd deze tijd al in twee jaar teruggebracht tot 3 minuten.

In 1872 liet Muybridge met zijn Zoopraxiscope zien dat een paard alle voeten van de vloer laat komen bij galop. Met 12 camera’s langs een renbaan creeerde hij beweging met losse fotos. Hieronder een klein instructiefilmpje over dit apparaat.



Het fotorolletje

Een probleem van de fotografische plaat was de zwaarte en hoge kosten. In 1884 ontwikkelde George Eastman een celluloid tape waarop foto’s gemaakt konden worden: zijn Kodakcamera liet licht naar binnen dat door deze film (engels = ‘reel’) beelden creerde. Hier een filmpje over zijn kodak en de industrie daaromheen.



William Dickson, die voor Edison werkte, gebruik de filmrol om een aantal beelden van een hoestende Fred Ott te maken. Door deze foto’s konden snel achter elkaar gezien worden, in een groot apparaat, en zo is dit de eerste film in de VS te noemen (1889).

De ontdekking van het bewegende beeld is met fotografie op deze wijze opgelost en deze beelden moesten nog getoond worden. Hoe ontstond de filmprojector?

Projectie

Dit is een (ander) lastig probleem en dit gaat terug tot 1646

In de 17e eeuw ontwikkelde Athanasius Kircherde magische lantaarn. Hij maakte een tekening van een box dat een beeld door een lens kan reproduceren (1646). Het werd de voorloper van de dia-projector uit de twintigste eeuw.

In de 18e eeuw trokken theatermensen door Europa met een magische lantaarn en hun show en gebruikten in het begin getekende beelden en later eventueel ook fotos.

In de 19e eeuw gaven foto’s de kijker een verhaal op dezelfde wijze als film dat tegenwoordig doet. Vaak bracht men het in combinatie: een magische lantaarn show, spelende acteurs en gebruik van fotografie. Sommige shows duurden twee uur en vertelden melodramatische verhalen. Zo ontstond de potentie voor de geprojecteerde film.


Een meer technisch uitstapje (geen toetsstof)

Er waren eigenlijk twee projectieproblemen:
1) De projector had een krachtige lichtbron nodig om beelden helder te projecteren.
2) De filmrol moet langs die lichtbron getransporteerd worden, op een gelijke wijze.
Het eerste probleem werd opgelost met de elektrische lamp die meer licht gaf dan kaarsen. En elektriciteit kon ook als regelmatige krachtbron dienen voor transport van de filmrol voor de projectlens langs.
Met de ontdekking van het intermitterende mechanisme voor een onderbroken beweging werd er nog een probleem opgelost: elk frame stopt kort voor de lichtbron en krijgt zo voldoende licht en wordt gelijkmatig getransporteerd.

Deze mechaniek creeërde wel weer een ander probleem: de brandende filmrol. Maar daartoe vond men weer een koelsysteem uit. Om dit intermitterende mechanisme te begrijpen kun je ook kijken naar het mechanisme van de Zoetrope.

Zie ook: http://en.wikipedia.org/wiki/Movie_projector




Hier tot slot een goede maar wel technische film & animatie (8 min.) over bovenstaande zaken: de filmprojector als snelle diaprojector.



2) Film als een systeem van visuele en auditieve representatie

 

In oktober 1889 laat Dickson een Edison projectie zien, met geluid. De kwaliteit is laag en Edison kiest voor daarom voor stomme film, individueel vertoont. Hij ontwikkelt de Kinetoscope: een animatie apparaat.

De uitvinder Edison realiseert zich dat bewegende plaatjes een betaald publiek kunnen bereiken; daarom heeft deze box een muntmechanisme voor het zien van amusement. Dit is dus qua projectie tegengesteld aan een schermvertoning: dat zou immers geld kosten en Edison wil gemakkelijk geld verdienen! Als uitvinder regelt hij zijn rechten goed en de eerste copyrighted film wordt op 14 april 1894 vertoond: The Sneeze (35 mm film).

 

 

De Kinetoscopes staan in salons en je kunt er veel korte films in zien: dansende mensen, sporters, wereld-wonderen, clowns. Het zijn geen verhalen, alleen beelden, maar soms ook in kleur. Het apparaat is zwaar (100 kg.) en duur want verbruikt veel van die nieuwe krachtbron: elektriciteit. Edison ontwikkelt later de gaten op een filmrol en de Black Maria: de eerste studio. De camera kan voor- en achteruit, er is een raam om zonlicht binnen te laten, de hele studio kan draaien om licht te vangen en camera's gebruiken elektriciteit.

 

3) Film als een industrie

De cinematoscope voldeed niet voor de zakenman Edison: het was een ingewikkeld en duur apparaat, en steeds kon één persoon naar de rol met foto’s kijken. Daarom zocht hij vormen om meerdere personen naar een film te laten kijken. De filmindustrie om hem heen begon ook vroeg theaters met filmvoorstellingen te exploiteren en zo bouwt men een eigen amusementsmarkt op. De macht van de studios nam erg toe na de Eerste Wereldoorlog (zie deel II).

Er waren rond de eeuwwisseling veel patentruzies en rechtszaken en Edison richt de MPPC (Motion Picture Patents Company) op, met de rechten rond cameras, projectoren, en productie companies, tegen onafhankele producenten en filmmakers. Daarom vertrekken de onafhankelijken naar het zuiden van Californie om conflicten te vermijden: Hollywood. Daar was overigens het daglicht ook beter....

 

4) Film als een sociale institutie

De filmvoorstellingen van het eerste uur waren evenementen. Een programma bestond uit een aantal acts waaronder de projectie van een aantal korte films. Variété artiesten leuken de avond op met toneel, acrobatiek en goochelkunsten. Film was dus een onderdeel van de voorstelling en vanaf het begin een sociaal gebeuren. Mensen praten over wat ze zagen en wat je samen zag verbind je. Bioscoopjournaals en reclames horen vanaf het begin bij de bioscoop.


Twee Franse namen zijn in de ontwikkeling van film als maatschappelijk en cultureel medium belangrijk.

 

De gebroeders Lumiere

Louis en Auguste zijn Franse uitvinders die in één jaar hun Cinematographe (1895) bouwden. Dit apparaat laat een film op een scherm zien en gaf een bijzondere beleving. Ook kon het apparaat zelf beelden maken, draaide ze uit en projecteerde ze dus. Het was een draagbare camera met een handmechanisme dat kracht leverde. Hieronder een filmpje met de werking van dit apparaat


 

Rond 1910 zijn er geen rondreizende theaters meer: film heeft zijn eigen podium & publiek gevonden. De Lumieres gebruiken bestaande beelden en velen gingen experimenteren. De volgende persoon werd door zijn experimentele benadering daardoor wereldberoemd in de filmgeschiedenis.

 

Georges Melies (1861-1938)

Deze Frans theatermaker was ook een goochelaar. Hij gebruikt als eerste de fade-in/out en de dissolve: de overgang tussen twee shots. Hij regisseerde meer dan 500 films waarvan A Trip to the Moon uit 1902 zijn bekendste film is. Hij gebruikt een stationaire camera met enkel Point of View: zijn films lijken op geregisseerde theatervoorstellingen. Maar deze stijl werd snel ouderwets gevonden. In korte tijd werd hij bankroet en vergeten.

Hier staat een goede weergave (7 min.) van zijn beroemd verhaal door de lens van Scorsese (2011).

 


Gelijktijdig in de Verenigde Staten... 

Rond de eeuwwisseling (1900) komen nieuwe doelgroepen naar de Nickelodeons komen: het kost maar 5 cent en dat is bereikbaar voor velen. Maar dit vermaak komt ook naar de midden en hogere klasse door o.a. het werk van Edwin Porter. Zijn film The Great Train Robbery (1903) was 12 minuten lang en introduceerde het concept van een verhaal-gedreven film. Het is de eerste western en eerste film waarin montage gebruikt wordt als verhaaltechniek. Porter is een van de eerste regisseurs die panning en close-ups gebruikt (zie woordenlijst in reader). Deze film beweegt zich van documentaire naar een narratief. En het plot is gebaseerd op de werkelijk gebeurde treinoverval rond 1900 door Butch Cassidy.

 

 

Verdere ontwikkelingen in VS (1905-1915)

De Nickelodeon kent haar opkomst en ondergang tussen 1905-1907: meer dan 10,000 filmhuizen waren er in de VS. Zakenmannen kregen kans (Fox, Warner, Loew, Mayer…) en de eerste censuur onstond (in Chicago en NewYork). Niet voor niets trokken avonturiers naar het Westen...

Films worden standaard gemaakt en een massa product. Frankrijk was rond 1914 nog steeds het belangrijkste filmland, totdat Griffith’s Birth of a Nation alles veranderde. Tot zover de geschiedenis tot WO I . 

Korte terugblik langs dit uur van de eerste uitvindingen:

  • Ontdekking van de photography (Daguerre, fotobeeld = basis filmbeeld)
  • Electriciteit (krachtbron voor mechanismen, in projector bv)
  • Celluloid (eerste commerciele plastic)
  • De electrische lamp (vergroten van beeld en grotere helderheid)
  • Toenemende economische motieven (Edison, massaproductie)