Lectoraat Ethiek van de zorg
Voor u ligt de eerste digitale nieuwsbrief van het Lectoraat
Ethiek van de zorg van de ZEG- hogescholen dat is gevestigd
aan de Christelijke Hogeschool Ede. Door middel van deze en volgende nieuwsbrieven
willen we u op de hoogte stellen en houden van het werk van het Lectoraat
en van de resultaten daarvan. Meer informatie kunt u ook vinden op onze
website.
Het Lectoraat Ethiek van de zorg is ingesteld per 1 september 2002, met
als lector prof. dr. H. Jochemsen. Met ingang van 1 mei 2004 is dr. J.H.
Hegeman benoemd tot associate lector. Het lectoraat heeft tevens een eigen
kenniskring.
Doelstellingen
Het lectoraat ethiek van de zorg heeft van de vier door
de overheid genoemde doelstellingen zich in eerste instantie vooral gericht
op het verrichten van onderzoek (kennisontwikkeling). Daarmee worden,
deels op middellange termijn, de volgende doelstellingen nagestreefd.
In de eerste plaats het verkrijgen van kennis en inzichten over de morele
praktijk van verpleegkundige zorg en van sociaal-pedagogische hulpverlening.
Deze kennis zal gebruikt worden voor de (door)ontwikkeling van
het ethiekonderwijs in het curriculum in de betrokken opleidingen.
Betrokkenheid bij het verrichten van onderzoek werkt tegelijkertijd mee
aan het professionaliseren van de docenten. Allereerst door
het bevorderen van een onderzoeksgerichtheid en een onderzoekscultuur
op de opleidingen. Vervolgens ook door het introduceren van voor de onderzoekers
nieuwe onderzoeksmethoden. Dit betreft met name het focusgroeponderzoek.
Ten slotte is het de bedoeling dat het vernieuwde ethiekonderwijs niet
alleen voor het curriculum van de betrokken opleidingen gebruikt zal worden
maar ook zal leiden tot een onderwijsaanbod aan instellingen. Bij enkele
onderzoeken zijn mensen uit diverse instellingen direct betrokken. Dit
ter bevordering van de kenniscirculatie tussen instellingen en
hogescholen.
Ethiek van de zorg
In zorg- en hulpverleningspraktijken streven de hulpverleners
bepaalde waarden na. Ook ethische waarden. In de verpleegkundige zorg
is dat gezondheid. Bij sociaal-pedagogische hulpverlening is dat vooral
het leven in goede sociale verhoudingen, sociaal welzijn. Deze gerichtheid
op ethische waarden geeft de praktijk zelf al een ethische lading. Ethiek
van de hulpverlening is dus in eerste instantie bezinning op welke waarden
in concrete hulpverleningssituaties nagestreefd dienen te worden. Ethiek
heeft dus betrekking op de bezinning op hoe het leven van een (hulpbehoevend)
mens zoveel mogelijk tot zijn recht kan komen. Ethiek begint dus niet
pas bij bepaalde duidelijke ethische dilemma's, al dringt zich daar de
behoefte aan ethische bezinning wel sterk op.
Om de met de hulpverleningspraktijk verbonden waarden te realiseren, gebruikt
de hulpverlener de geëigende professionele methoden, methodieken
en werkvormen. Soms doen zich situaties voor waarin niet (zonder meer)
duidelijk is wat het gewenste hulpverleningsdoel moet zijn en langs welke
weg dat gerealiseerd zou kunnen worden. Dan doet zich behalve een eventueel
professioneel-methodisch probleem ook een ethisch probleem voor.
Professionele hulpverleners dienen in staat te zijn om een bijdrage te
leveren aan de bezinning op de ethische gerichtheid van hun beroep, om
ethische problemen op een verantwoorde wijze te hanteren en zich voor
hun handelen ook in ethisch opzicht te verantwoorden. Het onderwijs dat
zich hierop richt noemen we morele vorming. Zie verder hierover
de lectorale
rede van prof. dr. ir. H. Jochemsen.
Twee hoofdlijnen
In het werk van het Lectoraat zijn twee hoofdlijnen te
onderscheiden: een onderwijskundige lijn en een ethische lijn.
In de onderwijskundige lijn gaat het om bezinning op kennis, leerprocessen
en morele vorming, waarbij onder meer wordt ingegaan op hedendaagse opvattingen
over het nieuwe leren, het competentieleren. Enkele globale kaders voor
morele vorming zijn geformuleerd en gepresenteerd in Herkenning nr.
14: Hoofd,
hart en handen, integrale morele vorming in christelijk hoger onderwijs
(brochure J.H. Hegeman, I. A. Kole & H. Jochemsen).
Lees verder...
In de ethische lijn kunnen we twee sublijnen onderscheiden:
een theoretische en een empirische.
De theoretische lijn betreft bezinning op en formulering van Ethiek van
de zorg als globale ethische theorie en op ontwikkelingen in de maatschappelijke
context van de zorg- en hulpverlening die van invloed zijn op de moraal
in de zorg en hulpverlening.
De empirische lijn betreft onderzoek naar morele opvattingen en het morele
handelen van praktijkbeoefenaars in de verpleegkunde en sociaal-pedagogische
hulpverlening. In enkele gevallen wordt er specifiek gelet op de betekenis
van de levensovertuiging voor de ethiek van de zorg.
Onderzoeksprojecten
De geschetste onderzoekslijnen werken we op dit moment
uit in een aantal onderzoeksprojecten, waaronder:
|
Noten en opmerkingen
ZEG-hogescholen
De ZEG-hogescholen bestaan uit de Gereformeerde hogeschool in Zwolle,
de Christelijke Hogeschool Ede, en de Hogeschool Driestar Educatief te
Gouda
Kenniskring
Naast de lector prof.dr .H. Jochemsen en de associate lector dr. J.H.
Hegeman bestaat de kenniskring van het Lectoraat Ethiek van de zorg momenteel
uit:
- prof.dr. J.C. Borst, docent ethiek SPH en supervisorenopleiding Christelijke
Hogeschool Ede (CHE); gasthoogleraar Evangelische Theologische Faculteit
Heverlee (0,2 fte);
- dr. B.S. Cusveller, dr. G.A. Lindeboom Instituut en docent Ethiek, Verpleegkunde
CHE.
- prof. dr. J. Hoogland, stafmedewerker St. Philadelphia Zorg en bijzonder
hoogleraar Reformatorische wijsbegeerte TU Twente (0,1 fte);
- drs. G.H. Hunink, opleidingsdocent, Verpleegkunde CHE (0,2 fte);
- dhr. W. van Ieperen, docent Spel & Sport, en docent Ethiek SPH,
CHE (0,1 fte);
- drs. P.N.J. de Jong-Veldkamp, docent psychologie, SPH, CHE (0,2 fte);
- drs. I.A. Kole, docent ethiek en bijbelwetenschap aan de LVO-opleiding
van de Hogeschool Driestar Educatief (0,1 fte);
- drs. R.R. van Leeuwen, opleidingsdocent Verpleegkunde CHE (in kenniskring
mede namens de Gereformeerde Hogeschool te Zwolle (0,4 fte);
- drs. K. de Lijster, docent ethiek Verpleegkunde GH Zwolle.
Morele vorming (eerst-verantwoordelijke
J.H Hegeman)
Er heeft in de verslagperiode een voortgaande bezinning plaatsgevonden
op een fundering en concretisering van een Christelijke ethiek van de
zorg. Dit vindt plaats op drie niveaus. Allereerst een hernieuwde bezinning
op de fundering en wijsgerige en theologische verantwoording van een christelijke
ethiek en de relatie met andere wijsgerig-ethische stromingen. Ten tweede
betreft dit een bezinning op normatief-ethische theorieën. Het door
de lector in de lectorale rede gepresenteerde model van normatieve ethiek
is in de kenniskring besproken en als werkmodel aanvaard.
Ten derde is verder gesproken over het binnen het Prof. Lindeboom Instituut
uitgewerkte normatieve model van een zorgpraktijk en de rol die dat in
de door het lectoraat te ontwikkelen morele vorming kan spelen. Kenmerkend
voor dit model is dat het stelt dat de hulp- en zorgverlening als zodanig
al een moreel gekwalificeerde activiteit is, waarin de relatie tussen
hulpvrager en hulpverlener centraal staat. De ethiek is dan ook niet een
beoordeling van buitenaf van het professionele handelen. Professionele
ethiek betekent in de eerste plaats een bezinning op de invulling van
de bestemming van de professionele praktijk (bij sph wellicht te typeren
als sociaal welzijn) en op de beste manieren om die in concrete situaties
te realiseren. Professionele methodieken en vaardigheden staan in dienst
van de realisering van die bestemming. Ethische dilemma's ontstaan daar
waar voor betrokkenen niet zonder meer duidelijk is hoe die bestemming
gestalte kan krijgen.
Dit model is in de kenniskring besproken en als werkmodel voor het ontwikkelen
van modules aanvaard. Daarmee zijn de belangrijkste theoretische kaders
voor het ontwikkelen van onderwijsmodules in de ethiek van de zorg geformuleerd
en beschikbaar.
Onderzoek naar aandacht voor
ethische aspecten in supervisie/methodische praktijkbegeleiding (mpb)
Twee groepjes verpleegkundestudenten hebben voor hun afstudeerscriptie
een representatieve steekproef van mpb-reflectiemateriaal van derdejaars
verpleegkundestudenten geanalyseerd. Vraagstelling is wat voor problematiek
studenten inbrengen in de mpb- sessies, in hoeverre dat ook expliciet
ethische problematiek is en of die als zodanig wordt herkend en besproken.
De eerste resultaten geven aan dat in veel gevallen ethische problematiek
niet als zodanig geïdentificeerd en besproken wordt. (Eerste begeleider
Gert Hunink).
Een vergelijkbaar onderzoek is uitgevoerd bij de opleiding sph.
De uiteindelijke resultaten van dit onderzoek dienen te leiden tot versterking
van de aandacht voor het morele aspect in het beroepshandelen zowel in
de (bij de CHE) gevestigde supervisorenopleiding als in de supervisie/mpb
van studenten. (Begeleiding J. Borst en G. Hunink).
De supervisie en sterker nog de mpb kenmerken zich door een sterke concentratie
op het proces waarin (toekomstige) beroepsbeoefenaars leren te reflecteren
op hun eigen handelen en hun motieven, emoties en overwegingen daarbij.
De vraag naar de achterliggende levensbeschouwelijke en ethische overtuigingen
wordt meestal niet gesteld. Wij menen dat het een verrijking kan betekenen
voor de supervisie als dit wel gebeurt. Dan kan ook de supervisie een
belangrijke rol vervullen bij het integratieproces tussen dergelijke overtuigingen
en de professionele beroepspraktijk.
Levensbeschouwelijke identiteit
en zorgverlening in de zorg voor mensen met een handicap
Centrale vraag hierbij is in hoeverre en op welke wijze de identiteit
van de instelling doorwerkt in de zorgvisie en de concrete zorgverlening
van iedere dag.
Inmiddels is door vier sph-studenten onderzoek gedaan bij vier geheel
verschillende instellingen en zijn de resultaten in twee scripties neergelegd.
Ze zijn en worden begeleid door kenniskringlid J. Borst en door H. Jochemsen.
Voorlopige resultaten geven aan dat de levensbeschouwelijke identiteit
duidelijk de dagelijkse zorgverlening beïnvloedt, maar dat voor de
invulling daarvan tegelijkertijd de persoon van de leidinggevende op locatie
van grote betekenis is. Dit versterkt onze overtuiging van het belang
van morele (en spirituele) vorming.
Verder is het werk aan een aanpassing van het identiteitsdocument 'Bijzondere
Kwaliteit', dat voor ouderenzorg is ontwikkeld, voor de gehandicaptenzorg
inhoudelijk gereed gekomen. In overleg met de organisaties waarmee is
samengewerkt (Reliëf (voorheen CVZKVZ), Focaris (vereniging van zorgaanbieders
in de gereformeerde gezindte) en FEO (Federatie van Evangelische zorgaanbieders)),
wordt nagegaan hoe dit resultaat het beste beschikbaar gesteld kan worden.
Het lectoraat heeft hier het initiatief gehad en het werk verricht. Momenteel
richt het lectoraat zich in samenwerking met het Prof. Lindeboom Instituut
en met de afdeling Transfer van de CHE zich nu op het organiseren en aanbieden
van implementatietrajecten, in het bijzonder van instrumenten waarmee
de eigen identiteit in de hele organisatie gestalte krijgt als facet van
het kwaliteitsbeleid.
Zie verder het document Kwaliteiten
en identiteit gehandicaptenzorg op de website van het lectoraat.
Cursus zorgethiek voor leden
ethische commissies
Met inzet van enkele groepjes verpleegkunde studenten is en wordt, onder
leiding van B.S. Cusveller, onderzoek verricht naar competenties die verpleegkundigen
dienen te bezitten om succesvol aan een dergelijke commissie deel te nemen.
Dit op basis van onderzoek naar opvattingen en ervaringen van verpleegkundigen
die lid zijn (geweest) van een ethische commissie Deze studie heeft inmiddels
geresulteerd in de formulering van een dergelijke competentie. Cusveller
heeft vervolgens een (keuze)module ontwikkeld voor verpleegkundestudenten.
Een nader uitgekristalliseerde cursus over dit onderwerp kan ook aan belangstellenden
uit het veld gegeven worden. In november 2005 staat over dit onderwerp
een symposium gepland.
Spiritualiteit, hulpverlening
en ethische keuzes
Naar ons idee vervult in het proces van morele vorming de geloofsovertuiging
en levensbeschouwing van de (toekomstige) beroepsbeoefenaar een belangrijke
rol. We spreken in dit verband over spiritualiteit. Een onderzoeksthema
is dan ook de relatie tussen spiritualiteit en de hulpverlening van een
professioneel hulpverlener en de ethische keuzes die hij daarbij maakt.
Dit wordt onderzocht door interviews van hulpverleners met diverse levensbeschouwelijke
overtuigingen, waarin die ook casuïstiek voorgelegd krijgen. Het
gaat ons erom na te gaan op welke wijze de geloofsovertuiging de hulpverlening
beïnvloedt om daaruit te leren op welke wijze in de opleiding de
geloofsovertuiging van de student vruchtbaar gemaakt kan worden voor een
goede hulpverlening. Dit betekent ook dat de hulpverlener aandacht heeft
voor de spirituele noden van de hulpvrager en die daarmee op adequate
manier kan omgaan. Ook weer om te voorkomen dat de hulpvrager in zijn
geloof of levensbeschouwing niet serieus wordt genomen en de levensbeschouwelijke
overtuigingen dan ook niet gemobiliseerd kunnen worden in het hulpverleningsproces.
We spreken in dit verband over spirituele zorg. Waarbij er wel
tegen gewaakt moet worden dat spiritualiteit (levensbeschouwing en geloof)
alleen instrumenteel benaderd wordt. Juist in de christelijke geloofsovertuiging
is hierbij de vraag naar waarheid en heil aan de orde. Tegelijkertijd
is professionele hulpverlening niet primair een evangelisatie-instrument.
Hier kan een spanning ervaren worden waarmee de professional moet kunnen
omgaan. (Betrokkenen J. Borst en H. Jochemsen)
Ook naar spirituele zorg wordt onderzoek gedaan en dan vooral in de verpleegkundige
zorgverlening (kenniskring lid Rene van Leeuwen). Doel daarbij is onder
meer een onderwijsmodule op te zetten waarin beroepsbeoefenaars leren
hoe spirituele zorg te verlenen. In zoverre zorg voor de spirituele behoeften
van patiënten gerekend wordt tot goede zorg, valt dit onderzoek onder
het domein van de ethiek van de zorg. Een specifieke invulling van de
kwesties rond spiritualiteit en hulpverlening betreft de hulp aan allochtone
hulpvragers. Daarmee krijgen ook afgestudeerden van onze school steeds
meer te maken. Daarom wordt ook onderzoek verricht naar de ethische problemen
die spelen in de hulpverlening aan allochtone hulpvragers. We hopen met
de resultaten onze studenten beter te kunnen toerusten voor die hulpverlening.
Ethische problemen bij de
zorg aan allochtone zorgvragers
Met dit onderwerp is pas vorig jaar begonnen een het verkeert nog in een
beginfase Hieraan wordt gewerkt door kenniskringlid, mw. drs. N de Jong,
docente bij de sph-opleiding, in samenwerking met drs. J.W van Nus, eveneens
docent bij SPH van de CHE. Het eerste deelonderzoek wordt momenteel afgerond.
Dit is een onderzoek naar opvattingen van ervaren hulpverleners in de
hulpverlening aan allochtone hulpvragers, omtrent (morele) knelpunten
in die hulpverlening en de relatie naar de culturele en spirituele achtergrond
van de hulpvrager.
In dit project wordt samengewerkt met Leonie de Valk van de Hogeschool
van Amsterdam en Christien Westrik van de Gereformeerde Hogeschool Zwolle.
Onderzoek naar opvattingen over goede
zorg in sph-praktijken
Twee groepjes van sph-studenten hebben door middel van focusgroepen onderzoek
gedaan naar opvattingen van sph-beroepsbeoefenaars in diverse praktijken
omtrent goede zorg. Welke waarden streeft men na in de zorgverlening?
En welke knelpunten ervaart men daarbij? De resultaten worden gebruikt
bij het formuleren van een visie op goede zorg en bij het opzetten van
morele vorming dat er immers op gericht moet zijn dat de beroepsbeoefenaars
die zorg gaan verlenen. Kenniskringlid W. van Ieperen is bij dit onderzoek
betrokken en begeleidde de studenten.
|